Dyslexieweb

  • Vergroot lettergrootte
  • Standaard lettergrootte
  • Verklein lettergrootte

Dyslexie vs. dyslcalculie

E-mailadres Afdrukken PDF

(c) Dyslexieweb

Bij het opsommen van bekende problemen bij kinderen volgt na ‘dyslexie’ heel vaak de term ‘dyscalculie’. Het klinkt voor een deel hetzelfde, maar wat is nu precies het verschil?
Graag wil ik voorop stellen dat ik persoonlijk geen ervaring heb met dyscalculie, en onderstaande tekst heb geschreven na research op het internet.

Waar ‘dys’ ‘lexie’ ‘niet (kunnen) lezen’ betekent, betekent ‘dys’ ‘calculie’ ‘niet (kunnen) rekenen’. Twee van de belangrijkste vakken op school, taal en rekenen, hebben we hiermee benoemd voor kinderen die er problemen mee hebben. Toch is er over dyslexie zoveel meer bekend, en staat dyscalculie behoorlijk in de kou. Hoe kan dat?

Echte dyslexie (dus over de grens van ‘weinig talent voor taal’ heen) komt veel voor, mede door de erfelijke factor zal het altijd doorgegeven kunnen worden aan de kinderen en blijft er dus een grote groep vertegenwoordigd in de maatschappij. Gemiddeld één op de 20 kinderen heeft dyslexie, een aardige hoeveelheid dus. De kenmerken van dyslexie zijn dan inmiddels ook vrij helder: het moeizaam lezen, het moeite hebben met de basis, het verschrikkelijke voorlezen en de talloze fouten die gemaakt kunnen worden bij het schrijven.

Dyscalculie is een probleem op veel kleinere schaal, naar het lijkt. Schattingen lopen uiteen van één op de duizend tot één op de 100. Dan is er nog de nóg moeilijker te bepalen grens; wat valt onder slecht rekenen, en wat onder dyscalculie? Tot op heden is daar nog geen bevredigend antwoord op gekomen. Er worden door wetenschappers al onderscheid gemaakt tussen tientallen groepen en vormen, maar in direct verband met dyslexie lijkt de vorm die het meeste voorkomt, dezelfde oorzaak te hebben. Waar mensen met dyslexie moeite hebben met het alfabet: het automatiseren, het herkennen van de letters, het kunnen schrijven van de letters; dingen die je moet kunnen alvorens je wilt kunnen lezen en schrijven, hebben mensen met dyscalculie dezelfde problemen met de basis: wat is 1? Wat is 2? Wat komt er na 3? En hoeveel is dat dan, 3? Kinderen met dyscalculie zijn niet in staat de waarde van een getal eigen te maken, zoals kinderen met dyslexie moeite hebben met het eigen maken van de waarde van een letter.

Geschiedenis

We duiken de geschiedenis der onderzoeken eens in. Daaruit blijkt dat de eerste onderzoeken gedaan naar de link tussen dyslexie en dyscalculie gedaan rond 1981, als standpunt aannamen dat dyslexie en dyscalculie gelinkt zijn aan elkaar. Ze mikken erop dat mensen met dyscalculie allemaal mensen met dyslexie zijn, en dat mensen met dyslexie allemaal dyscalculie hebben.
In het verleden was uit onderzoek gebleken dat er een link is tussen mensen die erg goed zijn in rekenen en mensen die erg goed zijn in muziek spelen, maar een link tussen rekenen en taal was nog niet eerder gelegd. De eerste aanname, om een link tussen dyslexie en dyscalculie te leggen, was dat dyslectici die erg goed waren in wiskunde, zelf hun wiskundige problemen hadden overwonnen. Niet erg aannemelijk.

Er kwamen in reactie hierop meerdere onderzoeken om het tegendeel aan te tonen. In 1983 bleek uit onderzoek dat ca. 10% van de dyslectische kinderen bovengemiddeld goed waren in wiskunde en maarliefst 30% keurig naar verwachting en zonder problemen scoorden.
Hoe het met de andere groep zat, werd in een onderzoek in 1990 duidelijk gemaakt. De dyslectische kinderen die problemen hebben met rekenen, hebben dat om twee redenen:

  1. Ze hebben moeite met de vraagstelling. Zinnen als ‘als drie mannen in vier uur tien bomen kunnen kappen….’ geven problemen.
  2. Ze hebben problemen met het korte-termijngeheugen, dat symptomen geeft van dyscalculie, maar niet hetzelfde is als dyscalculie.

Hieruit blijkt dat het merendeel van de dyslectische mensen geen vaardigheden missen in wiskunde, en dat de wiskundeproblemen dus een andere oorzaak hebben dan dyscalculie. Uit onderzoek onder een groep dyslectici in 1990 bleek het volgende:

  • 10% van de dyslectici blinkt uit in wiskunde
  • 30% presteert naar verwachting volgens hun leeftijd en niveau
  • 10% heeft problemen met wiskunde vanwege het kortetermijngeheugen
  • 25% heeft problemen met wiskunde vanwege de vraagstelling. Bij vragen die puur uit getallen bestaan, is hun probleem als sneeuw voor de zon verdwenen.

Maar de echte omslag om de link tussen dyslexie en dyscalculie los te laten, kwam in 1996. In dat jaar werd aangetoond dat dyslexie het gevolg is van een afwijking in de hersenen, waarop iedere wetenschapper zich realiseerde dat dyslexie en dyscalculie niet hetzelfde probleem zijn.

In 2001 geeft professor Brian Butterworth, een zeer toonaangevende persoon op gebied van dyslexie in Groot-Brittannië aan dat dyslexie inmiddels zeer erkend is op gebied van taal, en niet in de rekenkunde. Dyscalculie wordt echter nog nauwelijks erkend, terwijl dit om eenzelfde probleem gaat: problemen met rekenen, terwijl de prestaties op andere gebieden prima in orde zijn. Het lijkt er, aldus deze professor, op dat dyscalculie een andere, genetische afwijking als oorzaak heeft.

Uit deze onderzoeken blijkt dus wat met de huidige kennis van dyslexie het meest aannemelijk is: dyscalculie is een onafhankelijk probleem en niet gerelateerd aan dyslexie.